Lezen Gen. 12 1-9 en Hebreeën 11: 1-16

Een voorbeeldig geloof. Dat klinkt goed, nietwaar? Een geloof waar je een voorbeeld aan kunt nemen! Alhoewel: ’Voorbeeldig’ klinkt ons meestal wat ‘te’ in de oren; denk maar aan de uitdrukking ‘een voorbeeldig kind’! Nou, dan maar een tandje minder… doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg, toch?

Maar dat geloof van al die mensen uit het Oude Testament, dat ons als voorbeeld wordt gegeven…. dát is nog niet zo gek.

Heb je dat wel eens, dat je denkt: “die man, of die vrouw, daar kan ik een voorbeeld aan nemen. Ik wou dat ik zó in het leven kon staan, zó kon geloven!”

De schrijver van de Hebreeënbrief komt in hoofdstuk 11 met een hele opsomming van gelovigen aanzetten. Waarom eigenlijk?

‘De brief is gericht “aan de Hebreeën’, dat betekent zoiets als ‘aan de Joodse christenen, aan de ‘Jezus als hun Messias’-belijdende Joden’.

Het begin van de brief maakt namelijk allerlei toespelingen op de verhouding tussen het Oude Testament en dátgene wat in Jezus is gekomen. Jezus is de nieuwe Hogepriester, die zijn eigen leven geofferd heeft om de mensen met God te verzoenen.

Het is een brief, maar je zou het ook best een lange preek kunnen noemen.

Het is opvallend, dat er geen aanhef is aan het begin; er wordt zomaar met de deur in huis gevallen – maar de aanspraak is wel steeds die van ‘broeders en zusters’ en de schrijver eindigt ook wel met de gebruikelijke afscheidsgroet (13:24).

De brief zet heel hoog in.

Het is allemaal hooggestemd, maar al bij hoofdstuk 5 blijkt, dat het in die kring van de gemeente ook niet allemaal ‘koek en ei’ is. Ja, in welke gemeente wel?

‘Jullie hebben nog steeds de melk van het geloof nodig – als een baby – want vast voedsel kunnen jullie nog niet verdragen’ horen we daar.

‘Jullie hadden al leraars in het geloof kunnen zijn, maar ik moet nog weer bij het begin beginnen.’

‘Jullie zijn traag van begrip’.

Stevige taal in een verder zo pastorale brief.

In Hoofdstuk 10 komt de kritische toon ook terug:

‘We moeten elkaar aansporen om lief te hebben en goed te doen in plaats van weg te blijven uit de samenkomsten’ (24,25).

“Blijf volharden in het geloof” – dáár eindigt hoofdstuk 10 mee en daar begint straks hoofdstuk 12 weer mee. ‘Want we worden door geloof behouden’ (10:39).

En daar tussenin zit dus deze hele opsomming van Oud-Testamentische gelovigen.

Het zijn er in totaal 19, maar er zitten ook nog verwijzingen tussen naar bijvoorbeeld Daniël en naar zijn vrienden: ‘die leeuwen de muil toeklemden’ én ‘die aan vuur de laaiende kracht ontnamen’.

‘De tijd ontbreekt me om daar allemaal over te vertellen’ zegt de schrijver …

‘Door het geloof’ – het is een terugkerend refrein. En dan níet ‘geloof’ als een set van waarheden, maar geloof als een fundament waarop je staat. ‘Het legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de betrouwbaarheid van wat we nog niet zien’ zegt het eerste vers.

Geloof is geloofs-vertrouwen! Het vertelt van ‘overgave’ in Gods handen, kome wat komt…

En zo passeren in het stukje dat we lazen Abel, Henoch, Noach, Abraham en Sara de revue. De ene naam is gelijk duidelijk, bij de ander moet je even denken: hoe zat het ook al weer – en waren ze nou echt zo gelovig?

Zette Abraham niet hun slavin Hagar in, toen het hem allemaal te lang duurde met de belofte van een zoon?! En moest hij niet lachen, toen God hem op zijn hoge leeftijd nog een kind beloofde – een lach die Sara later overneemt in de tent en waar Isaäk zijn naam aan te danken heeft: Hij laat mij lachen!! (17:17, 18:12, 21:6).

Voor nu wil ik stil staan bij Henoch en Abraham.

Henoch wandelde met God, zo horen we in Genesis 5, 22. ‘Wandelen met God’, is dát dan een goede omschrijving voor ‘geloven’? Zó in het leven staan, dat je God bij alles betrekt wat er in je leven gebeurt.

Samen wandelen heeft één voordeel boven een gesprek aan tafel: je hoeft elkaar niet steeds recht in de ogen te kijken. Je kunt ook voor je uit praten in het vertrouwen dat de ander je begrijpt en dan komt er soms méér uit dan je oorspronkelijk van plan was te zeggen.

Zó wandelde Henoch met God en vertelde over alles wat hem bezig hield: zijn gezin, zijn werk, zijn moeite met de wereld waarin hij leefde – was hij niet een tijdgenoot van Lamech, de geweldenaar (Gen. 4:23) en diens vooruitstrevende zonen Jabal, Jubal en Tubal-Kaïn – die laatste deels genoemd naar zijn bet-overgrootvader.

Henoch moest zijn weg zoeken!!

Maar God hield van ‘De Wandeling’ – zoals ze het samen noemden.

Had God dat ook niet in gedachten gehad toen Hij Adam maakte: ’s avonds samen wandelen in de Hof. ‘Wandelen met God’, het is niet alleen een omschrijving van geloof, maar eigenlijk ook van ‘gebed’.

Want bidden is niet alleen op gezette tijden, aan tafel, in bed of in de kerk je handen vouwen, het is ook je gedachten op God richten in de drukte van iedere dag. Het is ook dat schietgebedje, waarin je het als het ware uitroept: ‘God, vergeet mij niet’! Het is ook de tijd, die je neemt, om met God te zijn, met Hem te praten.

Verder zien we Abram, Abraham, als geloofsgetuige.

Niet voor niets wordt hij ‘Vader van alle gelovigen’ genoemd (naar Rom. 4: 16). Abraham geloofde God, vertrouwde op God en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.

Een rechtvaardige, een Tsaddik in het Hebreeuws, net als Abel! (11 vers 4).

Ja, Abraham wandelde met God. Zijn wandeling werd zelfs een trektocht, met zijn hele hebben en houden: ‘alle bezittingen, die ze hadden verworven, tot aan slaven en slavinnen toe’.

‘Herdersvorst’ werd dat vroeger wel genoemd, met alle gevaren, die de rijkdom dan in zich heeft.

Maar hij dient God. Hij hoort een stem… en hij gáát! (Gen. 2: 15)

En dat is het kenmerkende van de hele reeks van namen uit Hebreeën 11 … ze hebben allemaal een stem gehoord. Nee, nog niet zo veel gezien meestal. Maar het horen van die stem heeft tot geloof geleid. Geloof dat overtuigt van de waarheid van wat we nog niet zien (1:1).

Ze hebben er soms een glimp van opgevangen (vers 13); meer niet, maar het was voor hen voldoende om vol te houden .. in dát geloof zijn ze gestorven, zegt de schrijver.

Hij gebruikt het beeld van vreemdelingen en gasten, bijwoners op doorreis naar een ander vaderland.

In hoofdstuk 12 komen we hen allemaal wéér tegen, als dat woord ‘volharding’ opnieuw klinkt – je mag het ook vertalen met ‘vastberaden’ (vers 2).

De gelovigen, die ons zijn voorgegaan.

Voor de Hebreeën, zijn het díe gelovigen uit het Oude Testament, de Tenach.

Voor onszelf kunnen we een rij namen maken door heel de kerkgeschiedenis heen – of om dichter bij huis te blijven: uit je eigen familiegeschiedenis, om hén voor ogen te hebben als degenen die ons aanmoedigen om vol te blijven houden in geloof.

Die als het ware op de tribunes van de arena, of langs route van de marathon, degenen aanmoedigen die de laatste kilometers of meters afleggen. Een menigte, een grote wolk van geloofsgetuigen kijkt naar ons, moedigt ons aan, als wij onze wedstrijd lopen, als wij als christen door het leven gaan.

Ze moedigen ons aan, ze roepen als het ware: ‘Blijf trouw in de kleine dingen van het leven én in het groot. Houd steeds het visioen van Gods toekomst, zijn Koninkrijk, voor ogen.

‘Blijf je blik gericht houden op Jezus’, Hij is het, die de gelovigen van Oud en Nieuw verenigd, en ook in de 21-ste eeuw.

Jezus zal ook met óns mee gaan, de toekomst tegemoet.

En dan begrijp je: Niet wíj bewaren het geloof, maar Hij bewaart ons bij het geloof.

Wie zegt: ‘door het geloof’ zegt gelijk ook: ‘door Gods trouw’!

Wij mogen ons laten inspireren door gelovigen van alle tijden en van alle plaatsen. Ze zijn ‘voorbeeldig’.

Blijf ‘wandelen met God’, dan kun je op weg gaan, zonder precies te weten waar heen (11, vers 8).

God gaat met je mee. Hij wil je God en Vader zijn en blijft je trouw!

Goede reis!